donderdag 4 januari 2007

About me - interview in "Brussel Deze Week"


vrijdag 02 juni 2006
Wonen in Brussel: Luc Deflo, misdaadauteur
Reeks: Wonen in Brussel
Elsene - “Wonen in Brussel heeft mijn leven onvoorstelbaar verrijkt. Maar het is me niet in de schoot geworpen, ik heb er moeite voor moeten doen, beetje bij beetje geleerd me niet op te sluiten in mijn Vlaming-zijn. Dat heb ik vooral te danken aan mijn vrouw, Maria. Zij heeft me door haar Zuid-Amerikaanse openheid mee over de drempel geholpen. Ook mijn dochtertjes Tess en Tris, die nog in Vilvoorde wonen en om de twee weken tijdens het weekeinde bij mij zijn, hebben ondertussen de stad leren te appreciëren zoals ze is.”
Vijf jaar is het ondertussen geleden dat Luc Deflo de stap naar Brussel heeft gezet. Eerst twee jaar Etterbeek, nu al drie jaar Elsene, waar hij met Maria op de gelijkvloerse verdieping van een herenhuis woont. En met Tuschki, zo merk ik bij het binnenkomen: de zwart-witte kater mag dan zijn mannelijkheid kwijt zijn, aan wilde speelsheid heeft hij niets ingeboet. “Tuschki is hier van de muur gevallen toen hij nog heel klein was. Hij geraakte niet meer weg en we hebben hem dan maar geadopteerd.”
Dan: “Kom kerel, buiten, anders komt er van een rustige babbel toch niets in huis.” Deflo schenkt een kop straffe koffie in en begint aan zijn verhaal: “Negen jaar heb ik in een fermetje gewoond in Eppegem, vlak bij Mechelen, waar ik ben opgegroeid. Ik had daar een enorme tuin en dat is lang mijn dada geweest. Maar dan heb ik in een heldere moment de rekening gemaakt: hoeveel uur heb ik werk aan mijn tuin, en hoeveel uur heb ik er genot van? De verhuizing, naar Vilvoorde, was het logische gevolg. Nog eens drie jaar later heb ik voor Brussel gekozen. Mede door Maria. Zij komt uit Caracas, de hoofdstad van Venezuela, vijf miljoen inwoners. Ik kon het haar niet aandoen te leven in een slaperig nest als Vilvoorde of Mechelen.”
“De eerste twee jaar woonden we in Etterbeek. Een heel mooi huis, dat wel, maar ik werd er stapelzot: ik had geen terras, zelfs geen balkon, en ik ben een mens die niet zonder open lucht kan. Hier heb ik het wel naar mijn zin: een herenhuis met een tuintje, niet te groot én ommuurd.”
“Mijn tuin leeft ook en ik heb hem op mijn beurt nodig om te leven: als het niet regent, zul je mij niet veel binnen zien. Ofwel verzorg ik de tuin, ofwel zit ik buiten te lezen, iets te drinken, te schrijven.”
“Ik zou heel graag iets kopen in Brussel, het liefst een woning als deze. Maar het is niet evident met de prijzen die de pan uit rijzen. Gericht ben ik nog niet op zoek, nee; volgend jaar komt het er misschien wel van. Ik heb nu twee jaar na elkaar twee boeken per jaar kunnen publiceren, ik werk nog parttime als consultant in de bank en leg op die manier een spaarpotje aan. Maar ik ga mezelf niet forceren om zo productief te blijven. Ten eerste is het een slopend ritme; en twee: wat ik schrijf, moet kwaliteit zijn, anders gaat het de deur niet uit.”
Op z’n Brussels.
Brussel, dat is chaos, allerminst een toonbeeld van discipline, wordt weleens vaker geponeerd. In die zin past de schrijver Luc Deflo wonderwel in de stad: geen vast stramien van werken, allemaal een beetje ‘op z’n Brussels’. “Ik heb geen schrijf­uren waar ik me streng aan hou, het komt in vlagen. Als ik schrijf, dan mag de wereld vergaan, ik zou het zelfs niet merken. Ik kan ook overal werken als ik in the mood ben. Met bulldozers naast mijn oren, in de zon zonder dat ik zie wat er op het scherm van mijn pc komt, ’s nachts op een camping met een gaslampje naast me: het maakt niet uit. De enige discipline die ik mezelf opleg, is: als ik een dag thuis zit, dan moet ik schrijven. Dat is mijn werk, punt.”
“Het is soms hard ja, veel romantiek komt er niet bij kijken. Het is ook eenzaam werken, vandaar dat ik na een jaar loopbaanonderbreking heb besloten weer als organisatieadviseur voor de bank te gaan werken, zij het parttime. Voor de centen, maar ook voor het sociaal contact. Daarom ook dat ik mijn vrije tijd onder de mensen wil zijn en graag op café ga.”
Luc Deflo is dan wel bekend geworden door zijn romans rond het speurdersduo Bosmans en Deleu, met Mechelen als thuisbasis, Brussel heeft hij als schrijver ondertussen ook al ontdekt. “Dat is gekomen door Cel 5, genoemd naar een politieafdeling die oude dossiers van misdaden op kinderen onder het stof vandaan haalt. Oorspronkelijk was Cel 5 opgevat als een tv-reeks in tien delen, maar die is er nooit gekomen omdat ze te duur was: veel nachtopnamen, heel spectaculair. Daarom heb ik de reeks doormidden gesneden en er twee boeken van gemaakt. Het eerste deel, Weerloos, is in maart verschenen.”
“Cel 5 schrijven was een boeiende ervaring: karakters creë­ren en laten evolueren, als auteur een nieuwe stad exploreren. En de mogelijkheden zijn hier legio, alleen al omdat Brussel zo’n smeltkroes is van geuren, kleuren, talen en mensen. Uniek in België. Een situatie, ook, die ik in mijn boeken tracht weer te geven zoals ze is: zonder de moraliserende toer op te gaan, met alle voordelen, met alle nadelen. Ik haal daarbij overal inspiratie uit. Een gedeelte van Weerloos speelt zich bijvoorbeeld af in de Grain d’Orge, een bruin café in Matonge waar ik al eens graag kom. Daar treedt elke vrijdag een bluesbandje op; je betaalt dan een euro meer voor je pint en blijft er zolang je wilt.”
“De stad verkennen als een toerist interesseert me dan weer veel minder, het functionele primeert. Zo ben ik ook op het politiekantoor op de Kolenmarkt geweest, op uitnodiging van de woordvoerder, Chris­tian De Coninck. Daar heb ik de lokalen mogen zien waar kinderen worden opgevangen en hun gedrag discreet geobserveerd, én ik heb met een psycholoog kunnen praten. De Mariemontkaai, de Havenlaan, de loodsen daar, die heb ik ook gebruikt in mijn boek nadat ik er de sfeer was gaan opsnuiven. En nu staat het kerkhof van Laken rood omcirkeld in mijn agenda.”
Brood voor bedelaars
Deflo’s vrouw Maria gaat even boodschappen doen. “Ze heeft in Caracas een schitterende baan laten staan, alles achtergelaten om met mij een ander leven te beginnen. Ik heb daar enorm veel respect voor. België en Brussel waren voor haar ook een enorme cultuurclash; Zuid-Amerikanen zijn onnoemelijk veel socialer dan wij, koele Westerlingen. Ik hoef er dan ook geen tekeningetje bij te maken: zich aanpassen heeft moeite gekost. Maria stond ’s morgens aan de bushalte en zei iedereen goedendag. Waar ze vandaan komt, is dat normaal; als een vrouw dat hier doet, denken de mensen dat ze een hoer is, of stapelzot. Zo zag ik op een dag dat ze oud brood aan het beleggen was met vlees. Ik: ‘Amai, wat gaat ge daarmee doen?’ Zij: ‘Dat is voor bedelaars in de metro. Het is anders toch maar om weg te smijten.’ Ik: ‘Ge gaat een patat op uw gezicht krijgen. Die gasten willen geld om pintjes te kopen.’ Dat is cynisch, maar het is meestal wel zo.”
“Maria heeft twee universitaire diploma’s – bio­logie en Master of Business – en ze heeft al wat uitzendwerk gedaan, maar vooraleer echt aan de slag te gaan, wil ze de twee grote landstalen helemaal onder de knie hebben. Frans heeft ze ondertussen al geleerd, nu volgt ze lessen Nederlands. Chapeau, zeg ik.”
Drempel overwinnen Door de taallessen van zijn vrouw heeft Deflo sociaal zijn weg gevonden in Brussel. “Maria legt heel makkelijk contact. Het duurde dan ook niet lang of ze nodigde mensen uit de taallessen bij ons uit. De zoete inval; er werd Engels en Spaans door elkaar gesproken, ik moest me daaraan aanpassen, want met mijn Nederlands kon ik niets aanvangen. In het begin dacht ik: fuck, zitten we hier eigenlijk wel in België? Maar geleidelijk heb ik de stap gezet en zo heb ik een heel internationale vriendenkring opgebouwd: Brazilianen, Schotten, Afrikanen, Italianen... Die drempel overwinnen heeft me moeite gekost, veel moeite. Maar het heeft me ook – en dat is het belangrijkste— verzoend met het leven in Brussel. Als ik Maria niet had, dan zou ik hier enkel wat Vlaamse vrienden hebben en dat zou het zowat zijn. Wie daarvoor kiest, wie zich niet sociaal opstelt en geen toegevingen doet, heeft niets in Brussel verloren.”
“Als ik dat allemaal vertel aan mijn vrienden van Eppegem en Mechelen, dan zitten die met zulke ogen en oren te kijken en te luisteren. En als ik er dan een paar uitnodig op zo’n feestje, dan klitten ze in een groep bij elkaar. Is dat slechter of beter dan wat ik hier heb? Ik weet het niet, maar ik weet dat de wereld die ik in Brussel heb ontdekt, oneindig veel rijker is. En plezanter. Met het wereldkampioenschap Voetbal krijg ik mijn Braziliaanse vriend André weer over de vloer. Daar kan ik nu al gif op innemen. En dan zal hij waarschijnlijk weer vragen de salontafel vol theelichtjes te zetten en zal hij op zijn knieën met een klein hartje letterlijk zitten bidden voor de overwinning. Van zoiets kan ik enorm genieten, dat ga ik in Eppegem nooit meemaken. Maar hoe prachtig ik het ook allemaal vind, mijn Mechelse roots wil ik niet verloochenen.”
MunttheeOok in de buurt voelt Deflo zich ondertussen als een vis in het water. “Ik kan me best voorstellen dat mensen die de buurt niet kennen, de indruk krijgen op een vreemde planeet te zijn beland. Maar als je erin zit, is dat helemaal anders. Ik ken de mensen, de kleine winkeliers die je hier links en rechts vindt. En die mensen kennen mij ook. Als de Marokkaanse bakker me met Kerst een gelukkige feestdag wenst, alhoewel hij zelf geen Kerst viert, dan wil dat zeggen dat hij weet dat ik van de buurt ben en dat hij daar rekening mee houdt. Hij heeft me ook al geleerd hoe ik met de munt uit mijn tuintje thee moet zetten. En als hij koeken over heeft, dan zegt hij weleens: ‘Hier, neem maar mee.’”
“Maar ik heb ook al ambras gehad, met hangjongeren, want ik ben de man er niet naar om me te laten intimideren. Ik lok het niet uit, ik trek het niet aan, maar wie met mij de confrontatie zoekt, ga ik niet uit de weg. Krijg ik slaag, dan is het maar zo. Maar die dingen neem ik erbij, zonder me er druk in te maken. Spijtiger vind ik dat ik hier niet vaak genoeg mijn taal kan spreken. De mensen doen hun best, maar er zijn hier toch zo weinig Nederlandstaligen. Als ik op de hoek mijn krant ga kopen, dan word ik weliswaar in het Nederlands bediend, maar van het moment dat ik een echt gesprek wil aanknopen, moet ik overschakelen op het Frans. En laat Frans nu net een taal zijn die ik niet graag spreek.”
“Maar als je me vraagt wat ik in Brussel ervaar als het allergrootste nadeel, dan zeg ik: het parkeren. Een ware tantaluskwelling. Vrienden in Vlaanderen aan wie ik daarover vertel, zeggen: ‘Daar zou ik geen seconde langer blijven wonen.’ Maar ook op dat vlak heb ik me aangepast: nu neem ik al eens makkelijker de trein, de tram of een taxi. Met als bijkomend voordeel dat ik me geen zorgen hoef te maken als ik een pint te veel op heb.”
Karel Van der Auwera © Brussel Deze Week

3 opmerkingen:

Wim K zei

Beste Luc, was ik blij deze week toen ik een 'nieuw' boek van je vond in de biep. Pas het derde die ze hier hebben, misschien komt het doordat ik hier in Friesland woon en er nog niet zo veel vraag is naar je boeken. Net zoals ik je al schreef nadat ik hoeren had gelezen, en je het in je blog plaatste. was dit voor mij een pageturner. Ik genoot weer van Deleu. Jos en Nadia. Na dit gelezen te hebben begon ik geinterresseerd te raken in de man achter deze fantasieen. Het is leuk om te lezen wie je bent en wat je bezig houdt.
Ook ik ben met iemand getrouwd uit een heel andere cultuur, in mijn geval uit Israel. Je bent nooit te oud om te leren, bv dingen als het is 6 uur, dus met andere woorden, rot op want we moeten eten.Gastvrijheid is hier niet zo groots.In wat ik over je lees zie ik veel herkenning. nog nooit heb ik dit eerder meegemaakt met iemand van wie ik boeken las. Kijk er dus nu al naar uit dat ik de mogelijkheid heb je nieuwe cel 5 boeken te kunnen lezen. Leuk dat je ook recenties plaatst van iemand die er dus wel moeite mee heeft het Vlaams te lezen en de vaart weghaald. Dit vind ik juist de charme van je schrijven. In Mechelen wordt nu 1maal anders gesproken dan, pak hem beet Harlingen.Dan lees je het iets langzamer en kan je langer genieten en leer je misschien nog eens iets.
Onze vrouwen hebben het pas moeilijk, hier in het hoge noorden is het behalve Nederlands ook nog eens Fries en Bildts. Ik woon hier nu 10 jaar en vindt het nog steeds erg moeilijk. Door jouw schrijven wil ik echt graag eens naar Mechelen of ergens anders in Belgie om eens een tintje te drinken. Jammer dat het voor mij zo ver weg is.
Ga door Luc, Voor research of wat dan ook staat mijn huis open.
Wim Karsenbarg
karse060@planet.nl

Anoniem zei

Eerlijk gezegd ben ik nog niet zo lang vertrouwd met de naam Luc Deflo. Maar toen je onlangs in de media kwam met het winnen van de Hercule Poirot-prijs was mijn interesse gewekt. Ik heb ondertussen 'Hoeren' en 'Pitbull' gelezen en kijk met volle verwachting uit naar je volgende boek.

Eduard zei

En waar heb je James Siegel leren kennen, die de plot voor "Prooi" leverde in zijn "Derailed"?